|
18. Een brug met drie ronde bogen
Versuft werd ik wakker; er was iets gebeurd, iets
wonderbaarlijks. Alleen besefte ik nog niet wat.
Vaag zag ik grazende herten aan een wateroever.
Ik probeerde het water stroomopwaarts te volgen
alsof dat de code, het heilige patroon kon doorbreken.
Tegelijkertijd zag ik een brug met drie ronde bogen
onderlangs, een stenen brug ooit in lang vervlogen
tijden neergezet met de bedoeling dat deze ooit
dienst zou doen om het land aan gene zijde te verbinden
en te bereizen. Eigenlijk waren beide oevers landen
van gene zijde, ieder met een eigen identiteit en
intentie. Mijn ogen, mijn geest die dit waarnam
vormde de realiteit van dit tafereel. Ik wist dat
ik dit moeilijke probleem toch niet kon oplossen:
de paradox, de tegenstelling tussen realiteit en
fantasie. Toch was ik hier al eerder aan gewend
en iedere keer verwonderde ik mij over deze beelden,
die bij mij opkwamen en mijn fantasie de vrije loop
liet. Mijn geestelijke middelpunt vloog dan ook
steeds heen en weer.

Ik zag de zon opkomen, die tegelijkertijd alles
verhelderde en glans gaf. Plotseling zag ik ook
een immens kasteel opdoemen, hier en daar een Licht
opstekend om de nachtelijke duisternis en een bepaalde
nachtelijke droomfantasie buiten te sluiten. Toen
wist ik ook, dat ik hier eerder gelopen had over
deze brug, op weg naar een avontuur, iets zoekend
in de duistere landen erachter. Had ik hier ooit
gewoond of was het een geestelijke rustplaats geweest,
ergens in het leven tussen leven en dood of slapen
en waken in? Ik voelde een onvoorstelbare heimwee
in mij opkomen, maar een die mijn zenuwen deden
opgloeien alsof iedere vezel in mijn lichaam bewustzijn
had. Een kort ogenblijk had ik dit overweldigende
gevoel. Het maakte mij diep gelukkig, maar ook een
beetje droevig.
Langzaam ontwaakte ik of was dat wel zo? Bevond
ik mij niet nog steeds tussen slapen en waken in?
Ik hoorde een klok luiden. Werd ik misschien niet
in het kasteel wakker, vermoeid als ik was na een
lange reis door heuvels en dalen, steile kraters
beklommen, diepe grotten doorzocht en eindeloos
op zoek naar het wonderlijke, iets wat niet bestaat,
maar er eigenlijk wel is. Het Zijn. De herten graasden
rustig verder alsof het hun niets kon schelen. Toch
was hun aanwezigheid ogenschijnlijk wel belangrijk,
want zonder hun aanwezigheid zou het beeld niet
compleet zijn.
Ik stond maar op, want slapen kon ik niet meer,
of sliep ik toch nog? Kleren had ik al aan, wonderlijk,
want ik had ze niet gevoeld in mijn bed. Ik opende
de deur, die eigenlijk al open stond en aanschouwde
het binnenste van het kasteel. Een intens grote
zaal verlicht met ontelbare kaarsen, die ieder hun
eigen kleur uitstraalde en daarmee deze ruimte met
alle onmogelijke vreemde, ronde en ovale vormen
iets hemelijks gaf. Ondanks de grote ruimte had
ieder plekje zijn eigen intimiteit, zijn eigen persoonlijke
beleven. Ik stapte zo van het ene moment in het
andere; mij verheugend op iedere komende beleving.
Ik liep verder en werd een beetje overweldigd door
alle beelden die op mij af kwamen. Toch waren het
bekende beelden. Met een schok besefte ik mij dat
iedere kaars, iedere kleurintensiteit een deel was
van mijn eigen wezen en een gevoel van herkenning
deden mijn eerste gevoel van onzekerheid omslaan
in blijdschap. Ik wist opeens niet meer waar ik
kijken moest en rende van het ene portaaltjes naar
het andere.
Wonderschone muziek deden me met een liefdevol
gebaar stilstaan en een man in een lichtgevend gewaad
kwam op deze muziekgolven op mij toelopen. Een vriendelijke
glimlach begroette mij en een zacht gebaar liet
mij weten mee te komen. We kwamen bij een grote
poort met een gesloten deur, waar echter door de
kieren een geweldige lichtintensiteit straalde.
De man zei iets zachts in een mij vreemde taal en
de deur opende zich langzaam. De plotseling opdoemende
lichtenergie deden mij optillen en nadat de man
zijn hand op mijn hoofd had gelegd, voelde ik mij
opstijgen en voor ik er erg in had wat er gebeurde
stond ik boven op de stenen brug en wist wat mij
te doen stond. Ik strekte mijn rug en liep langzaam
de brug over richting het onbekende bekende. Ik
voelde dat ik deze keer de kracht had het verhaal
eindelijk af te maken.
Ik keek nog een keer achterom en liep verder.
In de droom of in deze beleving die zich daarna
ontsproot aan het onbekende, wordt het verhaal verteld
over Kivar en het land Eichilos.
|