|
17. Het spoor van de Lente
Heen en weer geslingerd door opwellende emoties
liep ik het bospaadje, mijn leven verder af, nu
langzaam glooiend naar beneden. Ik was weer op zoek
naar de herberg waar ik lang geleden geweest was
in de hoop daar julio te ontmoeten. Ik snakte nu
wel naar een helpende hand, want mijn zenuwen stonden
na alle dromen en gebeurtenissen op springen niet
meer wetend waar, hoe en in welk lichaam zij zich
bevonden. Ikzelf was ook de draad kwijt. Ik was
nu overal geweest en kon al deze ontdekte werelden
en droom toestanden niet meer uit elkaar houden,
laat staan ze als een eenheid te beschouwen.
Ik had weinig oog voor mijn omgeving; toch
deed het mij een genoegen dat het wilde en berotste
landschap van zo even langzaam plaats maakte
voor meer glooiende en begroeide zandwallen,
die naarmate ik vorderde steeds verfijnder en
kleuriger werden. Ik herkende dingen, alsof
ik hier lang geleden was. Toch ontschoten mij
de woorden, alsof al deze herinneringen werden
overschaduwd door een wazige glans van iets
dat ik wel voelde, maar niet begreep en zeker
niet kon beschrijven. Ik slenterde voort en
eens zal ook deze weg ophouden.
Het weggetje beschreef plotseling een scherpe
bocht naar links en maakte een sterke afdaling
en voor ik er erg in had, want ik struikelde
hier en daar, stond ik voor een bosrand en een
heldere koele lucht deed mij huiveren, want
hoewel ik het niet meer kon zien, was de zon
al langzaam dalende en een paars oranje lichtenspel
betoverde het zich nu vernieuwende landschap,
dat langzaam in de zachte duisternis overging. |
|
Het was een prachtige zomeravond en ik had al
een hele dag gelopen op stoffige wegen en duistere
paadjes waar geen mens zo leek het althans ooit
geweest was. Maar nu was ik er en de ervaringen
en belevenissen zijn welhaast niet na te vertellen
en voor een gewoon menselijk oor niet te beluisteren.
Na een lange klim was ik terug in de werkelijkheid.
Daar lag mijn volgende bestemming: Kreuzberg. Vermoeid
en bestoft besteeg ik de versleten trap van de dorpsherberg.
Vrolijk gepraat en mystiek gezang verwelkomde mij
met hun ware gastvrijheid.
Hier in deze herberg hoopte ik Julio weer te ontmoeten
en ik moest denken aan de laatste keer hier, toen
voorspeld en nu hopend en smachtend naar zijn aanwezigheid.
Ook nu slofte ik weer de trapjes op van de herbergsportaal
en opende zacht piepend de deur.
Julio begroette mij hartelijk; hij leek ouder te
zijn geworden als je daarvan tenminste kon spreken.
Maar waarschijnlijk was het dat ik het was die ouder
was geworden. Zijn gelaat sprak wijsheid uit. Heldere
ogen leken iedere vraag direct te beantwoorden.
"Dag mijn vriend, want laat ik je nog niet
aanspreken met je werkelijke Naam. En je Aardse
naam van nu is een beetje paradoxaal, want je weet
niet meer waar je bent en in welk leven je zit.
Toch geloof ik, dat er al een vonkje bij je in het
zogenaamde heldere bewustzijn is ontsproten".
Ik probeerde te glimlachen, maar een stijve kaak
en een nog stijver bewustzijn maakten er meer een
grimas van. Julio legde weer zijn handen op mijn
schouders en ook nu leek ik weer opgetild en uitgerekt
te worden, alsof mijn botten al die tijd in elkaar
gedrukt waren geweest. Ik probeerde wat te zeggen,
maar Julio weerhield mij ervan en begeleidde me
naar een tafeltje in een van de vele nissen van
de herberg; ietwat duister maar helder verlicht
door diverse kaarsen. Zachte muziek op de achtergrond
hoorde ik en probeerde mij deze te herinneren. De
waard die zachtjes kwam aanlopen bracht ons warme
wijn en een soort van koeken met kaas en ook hij
deed mij aan iemand denken, maar ook dit alles tevergeefs
in mijn herinnering terughalend.
Julio keek mij aan na wat gegeten en gedronken te
hebben. Zijn blik deed mij ontspannen worden zoals
eigenlijk alles hier. "Op welke plekken heb
je Nada ontmoet en waar Gunawan?" Ik was eerst
helemaal verbaasd over deze vraag, zo plotseling,
maar eigenlijk schoot mij het antwoord als een bliksemstraal
te binnen. Eerst ontmoette ik Nada op de trap het
Verleden in waar ik eerst werd meegelokt door de
twee oerwezens. Haar aanwezigheid verhinderde dat
uiteindelijk en bracht herkenning teweeg en deden
mij weer herleven. De tweede en laatste keer was
in het paradijselijke dorp in het Tussenland. Zij
riep mij in mijn dromen aan met het woord "Skoggen"
en voerde mij eventjes mee in een nieuwe toekomstige
wereld zoals het eens zal worden en zijn ook al
was het nog als Tussenland in ontwikkeling. De hereniging
met mijn tweelingziel, ook al was zij in een andere
gedaante aanwezig; misschien ooit zal ik dat geluk
weer mogen proeven. De boom des levens: "Skoggen".
Mijn hele wezen voelde aan alsof het als water zou
wegvloeien in een tijdloze luchtledige met alleen
helder bewuste zuivere waterdruppels. Tranen liepen
over mijn wangen en in deze betraande werkelijkheid
zag ik Gunawan aan komen lopen, schoon, gracieus
omgeven met een lichtende beweging. Haar jurk knisterde
alsof witte sterren in een blauwige waas verdampten.
Ik dacht aan onze eerste "echte" ontmoeting
en ik schaamde mij eerst, maar ik herinnerde me
ook het afscheid, de moeilijke tocht in mijn eigen
huidige Aardse lichaam en haar laatste woorden.
En ook nu weer deed het me ineenkrimpen van pijn
en eenzaamheid, want ook nu wist ik dat we weer
afscheid moesten nemen. En nu nog eenmaal keek Gunawan
mij aan met ogen van Liefde en Herkenning en deze
ogen voerden mij mee naar het Beeld van een man
bij een kampvuur, die het Verhaal verder verteld
en als in een sprookje worden wij meegevoerd en
in het geluk van deze woorden omhelzen wij elkaar.

Ik liep de deur uit. Mijn begeleiders Julio
en Gunawan achterlatend, in stilzwijgen. Iedere
voetstap liet een goudkleurige stofwolk opwaaien
om zich te verenigen met de eeuwigdurende helderheid.

De man in het midden had gitzwart haar, enigszins
wild, half lang en in combinatie met zijn pretogen
was het een verademing om naar hem te kijken. Sporen
van een hard zwerversbestaan en verstoting, maar
vooral van het vaak niet begrepen worden stonden
op zijn gelaat af te lezen. Toch waren het ook rimpels
van wijsheid en van levensblijheid.
Wij zaten recht tegenover deze mooie en wonderlijke
man, dicht tegen elkaar aan gekropen, ons opwarmend
aan het knisperende vuur voor ons en aan elkaar.
Hoewel het nog vroeg in de herfst was, waren de
avonden al vroeg donker en koud.
Links van ons zat ook een andere man eerst niet
zichtbaar, want hij zat diep weggedoken in een zware
donkere winterjas. Zijn hoofd was verscholen onder
een grote zwarte hoed. Soms werd zijn gezicht enigszins
opgelicht als hij een trek nam van een naar het
scheen enorme sigaar. Alles leek erop dat hij met
rustgelaten wilde worden; alleen hijzelf bepaalde
wanneer hij in contact wilde treden met de buitenwereld.
Toch was hij geen wereldvreemd persoon althans zo
voelde het aan bij mij. Er scheen wel degelijk contact
te zijn, alleen al door zijn aanwezigheid.
Rechts van ons zat een vrouw met lang donker golvend
haar, dat nogal wild en vrijwel tot haar middel
toch een zekere bekoorlijkheid uitstraalde. Zij
had een zwarte jurk aan opgesierd met tal van kleurig
uitziende doeken, die bij ieder oplaaien van het
vuur leken op te vlammen in het roodachtige schijnsel.
Het meest opvallende waren haar vele sieraden, die
in combinatie met haar kleren een liefdevolle eenheid
vormden. Zij droeg in een van de doeken een klein
kind, rustig slapend aan haar borst en wiegend op
haar regelmatige en serene ademhaling en zo vormde
zij een rust en geheel.
Vreemd: deze man en vrouw leken helemaal geen deel
uit te maken van deze bepaalde werkelijkheid, zo
die hier al bestond. De man tegenover ons eigenlijk
evenmin. Misschien als ik nu zou gaan slapen en
morgen wakker worden, zou misschien alles, dit hele
tafereel een schim in een vluchtige mist blijken
te zijn. Toch leek nu alles heel normaal en oorspronkelijk.
Ons samen zijn hier en nu met deze drie nogal vreemde
mensen of beelden. Waren ze misschien een tot leven
geworden werkelijkheid van onze gezamenlijke droom.
De grens tussen droom en werkelijkheid is zeer vaag,
bedacht ik mij en wilde er ook verder geen aandacht
meer aan schenken. De man tegenover ons stak een
pijp op en rustig en bedaard keek hij naar mij en
glimlachte.

Ergens op weg hield ik stil. Iets in mij deed me
ophouden met denken over allerlei op het eerste
oog onbelangrijke dingen. Een hele reis had ik er
alweer opzitten sinds ik bij het kampvuur heb gezeten.
Vele malen daarna heb ik je ontmoet. En nu weet
ik, dat ieder gevoel een werkelijkheid bezit ook
al heeft het nooit plaats gehad en ontsproten aan
een vluchtige droom.
Met het Licht van de Maan en
kampvuur in je ogen
Eigenzinnig zijn de schreden van je blik
En dan als een pas ontluikende roos
Die schittering
Volg je het spoor van de Lente
|