|
16. Het Tussenland
Ik werd wakker een beetje onderuit gezakt en half
scheef zittend en liggend in een kleine nis van
een of andere grote boom. Een eikenboom, eikels
lagen her en der rond mij heen verspreid, wachtend
op het moment van hun eigen bevruchting, spontaan
aan het begin van de lente om dan smartelijk te
wachten op het geluk en het vinden van een beschutte
plek om te groeien. Bij toeval naar het schijnt,
maar dan ineens vol vuur en overgave te ontspruiten
in de vruchtbare Aarde. Ach is het bij het menselijk
volk niet net zo gesteld, lijkt het: dat ene levensgeluk,
het lot of wat dan ook. Mijn ogen voelden vermoeid
aan van al het gepeins en overdenken; ook tijdens
de slaap van weer een afgelopen nacht.
Ik bedacht mij ineens een droom van een paar dagen
geleden. Iets wat het mysterie alleen nog maar mysterieuzer
maakte. Ik liep eerst samen en daarna alleen door
een ruimte waar eerst ook vele andere mensen door
elkaar heen liepen. Na verloop van tijd werd het
steeds rustiger en stiller om mij heen naarmate
ik verder liep de ruimte in. Het leek alsof ik trap
op en af ging, een labyrint van trappengewelven.
Tot ik iemand zag zitten, een mij bekende persoon,
die mij indringend aankeek, maar verder niets zei.
Het gaf mij rust en voldoening te weten, dat ik
hiermee op de goede weg was. Plotseling stond ik
weer op een bosweg, ergens in mijn leven, waar ter
wereld weet ik niet meer en ik vroeg de weg aan
voorbijgangers hoewel ik donders goed wist, dat
deze zelfde mensen eerder mijn medereizigers zijn
geweest. Zij waren heel vriendelijk en brachten
mij ten slotte aan het eind van het bos, waar ik
eindelijk weer eens een horizon te zien kreeg. Ik
liep verder en zag een groepje mensen staan. Voor
ik er erg in had, vroeg ik hen waar het "Skoggen"
was. Een man, die het dichts bij me stond, zei met
vriendelijke stem: "even verderop", waarna
ik alsof het een telepathische verstandhouding betrof
ineens wist, dat "even verderop" het Natuurpark
lag nabij een rustig en klein stadje. De andere
mensen keken vol vreugde en glimlachend naar mij,
wetende dat ik nu ook in een flits dit Land herkende
en daarmee wist dat dit niet zomaar een Natuurpark
was. Dit was het levende Land, het Tussenland en
vol verlangen spoedde ik mij richting het voor mij
zo begeerde doel, hoewel nog steeds twijfelend aan
mijzelf en datgene wat mij te wachten stond.

Naarmate ik vorderde werd de lucht ook helderder
en lichtblauwer van kleur. De bomen, bloemen, maar
ook de huisjes en andere vreemdsoortige bouwwerken
leken hier te leven tezamen met al die prachtige
kleur intensiteiten alsof ze mij en andere genode
gasten wilden begroeten. Voor het eerst zag ik bloemen
in een levende en levendige bloei staan. Ik liep
verder en muziek kwam mij ter ore uit een van de
vele huisjes, die her en der tussen reusachtige
bomen verspreid lagen, maar niet in de schaduw ervan
want waar ik die verwachtte gloeide een zacht blauwe
mistachtige kleur die alle mogelijke schaduwen hier
deden verwarmen en lieten verdwijnen. Ik ging op
een bankje zitten, genietend en vol vreugde want
hier scheen alleen het geluk en de liefde te bestaan.
Mijn lichaam gloeide, alsof al mijn cellen mij wilden
vertellen dat alles goed was zo.
Tegenover mij stond een huisje met een rieten dak
overspannen. De muren straalden een rood bruine
aardekleur uit en werd opgesierd met kleine raampjes,
de vierde ruitjes diagonaal gekruist gaven het geheel
een eenheidsbeeld. Ik voelde een onverklaarbaar
verlangen in mij opkomen hier naar binnen te gaan
en na enige schroom besloot ik op te staan, alsof
ook een zekere drang mij opriep dit te doen. In
een roes opende ik de fraai gevormde deur en stond
daarna binnen in de kamer waar eenvoud de schoonheid
van het interieur bepaalde. Een gevoel van herkenning
schoot door mij heen en ik zag een kleine zilverachtige
kelk staan op een klein kastje of een soort van
klein tempeltje. Als in een flits herkende ik deze
wonderlijke kelk, die op ieder moment zijn kostbare
vloeistof kon laten uitstromen om in het luchtledige
te verdwijnen.
Ik hoorde wat gestommel in de kelder, maar het leek
meer op het geborrel in mijn eigen buik, die mij
deden denken aan angsten en andere twijfels van
heel vroeger en ver hier vandaan. Want angst bestond
hier helemaal niet meer; hier was alles opgebouwd
uit een fijnmazige energie zoals de nerf van een
pas gevallen herfstblad.
De deur werd achter mij geopend en ik voelde de
groots mogelijke gevoelsexplosie in mij opkomen
en mij eerst deden wankelen, maar een stem, zacht
en teder sprak mijn naam uit, die ik zelf nog niet
kon uitspreken en voor ik het wist wat er gebeurde
vloeide er een heftige gevoelsstroom recht uit mijn
hart zich verstrengelend met het hart van Nada,
die nu voor mij stond en langzaam overging in een
innige omhelzing. Deze voelde aan alsof een middagzon
ijsklompen in mij deden smelten, waarmee ook verborgen
tegenstrijdige gevoelens kwamen opzetten. Ik streelde
haar zacht golvende haar. In die paar seconden stroomden
duizenden gedachten en herinneringen bij mij binnen.
Duizelingen kwamen in mij op en een draaikolk van
licht tintelende energie, die langzaam in mijn voeten
omhoog trok deden mijn lichaam veranderen in een
lichtende energie die zich daarna langzaam verplaatste
uit dit droombeeld en terecht kwam in een zacht
wiegende moederschoot.
Spoedig daarna verloor ik mijn bewustzijn.
|