|
15. De sombere twijfel
Ik wilde eigenlijk nog tijd hebben om nog wat te
doen. Maar ik vraag mij af wat is er nog te doen?
De wanhoop, als een langzaam omhoog slingerende
spiraal in je hoofd. Een trein die razend als een
op hol slaand hart door je hoofd raast. En uiteindelijk
is er alleen nog die verre blik, die nog verder
reikt als de horizon, ongrijpbaar en misschien tegelijk
binnen handbereik. Ik wil mezelf niet beklagen,
want wat valt er te zeggen, te doen. In een flits
kan alles weer anders zijn, alsof met een knippering
van de ogen een kaal landschap weer vol met bloemen
staat, wuivend in de wind. Ach waar is die zoete
blik gebleven, een kus, een aanraking vol overgave,
die ons samenzijn versmolten tot een zuiver atoom,
fonkelend in een sterrenhemel bij heldere avond.
Nu is alles doods, een trein piepend en krakend
tot stilstand gekomen, nog nakreunend van de lange
reis, stoom en water dampend en sijpelend uit ik
weet niet welke onvoorziene openingen.
Een mens lag dood ter aarde, er stroomde wat bloed
uit zijn mond, zijn ogen nog weid open van de schrik,
maar hadden nog een allerlaatste glinstering opgevangen
van het naderende onheil om dan direct over te gaan
tot een geheel andere nieuwe ervaring. Een bloemenpracht,
op mensen gelijkende lichtende wezens namen hem
vederlicht op en legden hem op een baar. Alle onheil
vergetend; er flitste nog een late onweersbui, maar
dat was ver weg en kwam nooit weer. De man stond
nu weer op en ik zag een rein gelaat alsof de sterren
weerkaatsten op zijn blanke huid. Hij begon te lopen,
eerst alleen en ik zag dat hem een vrouw tegemoet
kwam, zo mogelijk nog schoner dan de man, maar met
een duidelijke overeenkomst en herkenbaarheid. Zij
leken op elkaar en toch waren ze elkaars tegenbeeld.
Zij kwam langzaam op hem aflopen en ik zag dat de
twee mensen elkaar steeds dichter naderden hoewel
de afstand nog groot was. Alsof hun beider lichamen,
indien ik daar nog van kan spreken, steeds inniger
in elkaar opgingen. Een ineenstrengeling, zoals
je het nieuwe ochtendzonlicht in vochtige en mistige
bossen ziet. Gele en purperen vlinders fladderden
rond in deze stralenzee. Het laatste moment van
deze eenwording heb ik niet meer bewust meegemaakt.
Het was alsof een stokoude eik in een flits opgroeide
tot zijn huidige majestueuze hoogte. Zijn zware
zijtakken smachtend uitstaken om zijn juist ontsproten
bladeren te baderen in het parelwitte zonlicht.
Dauwdruppels vielen glinsterend omlaag en deden
zijn wortels sidderen van geluk.
Ik zag dit alles gebeuren en eigenlijk ook weer
niet. Ik liep weer verder door het bos de tempel
achterlatend en op zoek naar verlichting, smartelijk
wachtend in mijn eigen eenzaamheid.
Ik had drie maanden bij Minoo gelogeerd, veel gedroomd,
gepraat en gelachen en bovenal uitgerust. Op een
ochtend zei ik plotseling tegen hem, dat ik deze
dag zou vertrekken om de bergen hierachter te verkennen
waar ik ook nooit eerder was geweest. Vele uren
heb ik ze echter aanschouwd in het dal bij het boerenvolk
en vol ontzag had ik ze bekeken; hun torenhoge witbevlekte
toppen af en toe badend in de wolkenpracht met hier
en daar een streepje blauwe lucht. Minoo had mij
glimlachend aangekeken en hij leidde mij het tuinhekje
uit zoals ik ook met hem gekomen was. Het piepende
tuinhekje was ook het laatste wat ik zag en hoorde.
Hier en daar vielen al blaadjes dwarrelend op de
grond, ongeduldig als ze waren op het naderende
herfstseizoen. Ik wilde voor de winter inviel aan
de andere kant van de bergen zijn en daarna wilde
ik weer nieuwe horizonten aanschouwen.

Ik herinnerde mij een verhaal van een man, zijn
leven lang zwervend in de voetsporen van zijn zoekend
geluk om tenslotte eenzaam te sterven in het besneeuwde
landschap. Op het laatste moment of was het al een
nieuw begin kwam hem hulp tegemoet; eerst van een
oude man, die hem na een korte blik in zijn voorbije
leven groetend en liefdevol afscheid nam. Daarna
kwam zijn openbaring of was dat toch niet zo, ik
weet het niet. Juist dat allerlaatste: die alles
uitsprekende roep kon ik niet begrijpen. Dan zag
alles weer zwart voor mijn ogen. Ik wist het: mijn
leven was nu toch wel een warboel geworden, maar
tegelijkertijd besefte ik dat ik mij afvroeg welk
stuk leven nu van mij was of misschien juister gezegd,
diegene of datgene die mij nu in zijn bezit heeft
als het ware mijn eigen ik of misschien wel mijn
droom-ik, die droomde dat hij nu in het bos liep
en meerdere visioenen beleefde van een komende eenwording.
Nee het had geen zin om hierover na te denken en
dat was ook het enige zinnige wat ik mij hiervan
kon bedenken, want ik besefte heel goed dat deze
gedachten mij nu direct zouden doen wegzinken in
een diep zwart gat alsof een aardbeving plotseling
een gapende afgrond voor mijn voeten zouden opwerpen.
Ik ging zitten tegen een oude knoestige beuk of
was het een eik, ach ik wist het niet meer. Zou
het uiteindelijk iets uitmaken? Ik keek omhoog en
zag de laatste zonnestralen door het bladerendak
schijnen en in een flits overdacht ik mijn visioen
van zo even. Hoe ver had ik vandaag eigenlijk gelopen;
ik wist het niet meer. Of wacht, ik hoorde heel
ver een hond blaffen ter herinnering aan en dacht
onmiddellijk aan Minoo. Hoe ver was ik, zal ik terug
rennen en mij terneergeslagen zonder hoop overgeven
aan zijn wil of moest ik verder, zwoegend tot ik
mijn laatste snik had uitgeblazen? Een nieuwe huivering
doorvoer me alsof koude en warme stralen botsten
tegen en in mijn lichaam. Ik besefte dat ik wederom
voor een keuze stond, misschien wel de meest beslissende
keuze in en voor mijn leven; althans voor het ogenblik.
Moest ik terug naar de warmte en geborgen huiselijkheid
van Minoo en mij overgeven aan zijn rust en verder
niets meer doen en laten? Of toch verder gaan en
nieuwe paden betreden en onderzoeken en tegelijk
wachtend op iedere zijweg, die mij dan weer voor
een andere keuze zouden stellen? Nee ik zou hier
ter plekke overnachten en slapen en dromen en wachten
op de helderheid van een nieuwe morgen om dan een
beslissing te nemen. Ik stond op en zocht een beschutte
plaats en rolde mij in een deken, een warme die
ik van Minoo had meegekregen. Een traan welde op
en liep over mijn wangen en daarna ben ik ingeslapen.

Ik ben de volgende dag maar verder gelopen; dat
was het enigste wat mij overbleef te doen of eigenlijk
het enigste dat ik naast alle andere mogelijkheden
het beste kon doen. Geen droom of wat dan ook had
mij de laatste nacht geïnspireerd en mij totaal
alleen achter gelaten in de zwartheid van de nacht.
Ik besefte nu heel goed in welke netelige situatie
ik mij bevond.
Ik rende of droomde een idee, een ideaal achterna
en tegelijkertijd twijfelend over de juistheid hiervan
en beangstigend om het idee of het nog wel bestaat
of ooit bestaan heeft. Ik probeerde in mij zelf
na te gaan wie of wat die of datgene was, die mij
radeloos en soms redeloos alsmaar door bossen en
levens liet slenteren, dan weer dit en dan weer
daarin belandend. En ik bedacht me het moment en
ook het onbeschrijfelijke geluk bij de twee bomen,
zittend op het bankje waar Gunawan voor het eerst
in levende en lichtende gestalte voor mij verscheen
en een hand naar mij uitstrekte. Was het echt of
een ongelukkige herinnering van een of andere onwerkelijkheid?
Een tinteling ging door mij, wat mij ook weer ergerde
en waar ik mij soms aan stoorde, want weer was het
iets wat mij overkwam, niet bewust of onbewust opgeroepen
maar meer alsof een plotselinge vogel voorbij vloog
en daarmee eigenlijk ook onbekend bleef. Een radeloze
angst overviel mij, een twijfel als een voortrazende
stier die me aan het wankelen bracht. Zonder begrenzingen,
als maar voortgaand, dromend, denkend, zoekend zonder
einde, dat op zichzelf al even mysterieus en misschien
wel ongeloofwaardig over komt, althans in mijn verbeelding.
Misschien is het mijn fantasie, deze verbeelding
wel datgene wat mij steeds laat verdwalen tussen
al die andere denkbeelden, die ook in mij opkwamen.
Een denkbeeld en een verbeelding; waarom niet een
denkbeelding samen zonder meerdere en onbekende
bronnen te hoeven aanboren. Niet denken en niet
voelen, maar een andere voor mij nog onbekende mogelijkheid.
Ik schrok eigenlijk van mijn eigen idee of liever
een idee vanuit een andere bron; een bron die weer
een of andere streek met mij wilde uithalen. Een
spel wilde spelen met mijn eigen beperkingen, waarvoor
diezelfde bron misschien ook wel verantwoordelijk
zou zijn. Dat zou een absurd idee zijn en tegelijk
wel iets met enige waarheid, denkend aan het visioen
van de twee tafels.
Ik schopte tegen een eikel, die op de grond lag
en bedacht mij plotseling misschien nu zelf verantwoordelijk
te zijn voor de groei van een nieuw leven, een nieuwe
boom. En zou deze boom mij ooit iets kwalijk nemen?
Grijpt een verbeelding alleen terug in je eigen
herinnering? Of zijn het niets meer dan dode resten
uit het verleden, om het tegenwoordige emotionele
als uit een soort cynische humor smeulend te houden?
En mijn denkbeelden, nu wat eigenlijk dan direct
een verbeelding is, steeds eindeloos voortstuwend
tot misschien wel dat ene toekomstige ultieme moment:
helderheid, duidelijkheid alsof die ene eikel zelf
deze transformatie inhoudt of deze zelf teweegbrengt
en waarvoor ik nooit en te nimmer verantwoordelijk
voor kan en zal zijn.
De schok, het toeval, het lot zijn dan zaken voor
de toekomst of het verleden, waar je zelf geen grip
op hebt. Hoe zit het dan met het verhaal over die
ontwikkelingsstappen, die ik ooit ergens hoorde
van die twee tweelingzielen in het dode en dorre
landschap?
Intentie.
Dat is wel toekomst gericht, maar gekleurd door
je eigen verbeelding en gestoord door je eigen denkbeelden.
Hoe zou Gunawan zich voelen of hierover denken,
zo zij al zou bestaan? Of Nada, maar zij was dood
en had misschien nooit geleefd.
|