|
14. Scheiding der zielen
Ik kon geen contact krijgen met deze beelden. Iets
in mij weerhield mij ervan. Datgene die het bos
aan het begin van deze droom zo koud en kil maakte,
kregen weer de overhand in mijn gevoel. Een angst
om diep te vallen greep mij aan en het vertrek veranderde
ineens in een donker portaal: een soort hok met
scheefhangende deuren en kapotte ruiten. Alles leek
in jaren niet meer gebruikt en met liefde onderhouden
en er scheen ook al lang niemand geweest te zijn
geweest. Stof en spinnenwebben sierde het geheel
op tot een luguber geheel. Echter niet dit boezemde
mij een bepaalde angst in. Het was meer de stilte
van een lang ingehouden schreeuw, die diep beneden
mij vandaan kwam. Ik zag ineens een donkere trap,
die naar beneden leidde. Koud en smal als deze was
deden mij huiveren, maar leken ook een roep uit
te drukken om blindelings te volgen zonder acht
te slaan op de gevolgen ervan. Jaren wachtend in
het slijk van de Aarde; ook wachtend tot juist ik
zou afdalen om het geheim ervan te doorgronden.
Ik werd mij twee schimmen gewaar, die ik niet kan
beschrijven omdat ze geen vorm hadden echter toch
voldoende om aan te nemen, dat ze er waren en een
soort van lichaam hadden. Zij wenkten mij met een
ondefinieerbare kracht en ik volgde hen zonder een
eigen wilskracht te hebben de trap af naar beneden.
Het leek een soort trappenhuis te zijn alles van
koude steen opgebouwd of wel uitgehouwen uit de
kilte van de Aarde, want niets wees erop dat deze
stenen aaneen waren gelijmd of gemetseld. Deze kilte,
die doordrong tot diep in mijn hart, werd met iedere
tree naar beneden groter. Na de eerste trap naar
onder, sloegen we rechtsaf lopend naar een volgende
trap, nu een verdieping lager. Geen muur zag ik
meer of de zwarte duisternis was zelf een muur geworden
en vol bewustzijn of iets wat hierop leek. Een aanwezigheid
van duizenden ogen en handen, die mij wilde grijpen
maar het toch niet deden.
Maar wij liepen verder of althans mij werd opgedragen
te volgen en ik liep mee de tweede trap af de duisternis
in, die steeds dieper en dieper werd en de kilte
zelf leek wel van steen te worden, ondoordringbaar
en het lopen steeds moeilijker maakte,
Vijf trappen hadden wij nu gelopen en mijn angst
had ongekende hoogten bereikt, maar ik was nog wel
steeds goed bij machte om na te denken en te voelen.
Ik wist dat de gang boven mij nu nog bereikbaar
was als ik nu snel terug zou lopen en ik zou het
labyrint van het voorpaaltje op de juiste manier
moeten teruglopen; alleen dan was ik weer in veiligheid.
Want de deur, de toegang op een verkeerde manier
terugnemen was funest. Je moest op de één
of andere manier door een raam om achter de deur
te komen. Dit bedacht ik mij in deze luttele seconden
en als in een droom zag ik mijzelf ook de juiste
weg terugnemen.
Ik werd echter wakker in een weer andere droom
en stond daar op de drempel naar de zesde trap naar
beneden richting de diepe en onheilspellende duisternis
daaronder. De twee schimmen waren intussen al doorgelopen
en verloren langzaam hun wilskracht op mij en niets
weerhield me er nu van om terug te rennen naar boven.
Totdat een zacht fluisteren mij tegemoet kwam alsof
een vlinder op een zachte avondbries naar mij toe
fladderde.
De duisternis om mij heen werd warmer en nog eenmaal
dacht ik aan de trap beneden mij en plotseling realiseerde
ik mij de bedoeling hiervan. Mijn eigen levenstrap
zou mij mee- en terugvoeren tot diep in mijn onderbewuste
en langzaam zou deze vervagen om langzaam plaats
te maken voor andere aanwezige persoonlijkheden
of liever gezegd: ik zou teruggaan in andere en
ook vorige levens en deze zouden dan weer bezit
van mij gaan nemen. Om tenslotte nooit meer terug
te keren in het eigenlijke en wezenlijke Nu. Laat
de achterliggende stilte de stilte blijven. En de
twee schimmen ooit gesplitst in een ver verleden
van deze lange levensspiraal en nu helemaal onder
aan de trap wachtend op eenheid, die tenslotte ook
eens hen deel zou worden.
Maar teruggaan naar mijn eigen levenslabyrint, zoals
mijn huidige droomfiguur voor mij van plan was,
wilde ik niet. Dan zou ik weer verbonden worden
met de hersenspinsels, die ik al die jaren zo kunstig
geweven had. Ik zou ten slotte ook zelf ten onder
gaan aan mijn eigen rationaliteit en daarna toch
weer terug te keren via een lange andere omweg,
naar waar ik Nu sta.
Maar ja, ten slotte wat doe ik hier eigenlijk?
De koude stilte om mij heen was ondertussen opgehouden
te bestaan en de muren om mij heen leken te leven
alsof een dieprode ondergaande zon deze bescheen
en een zacht oranje gloed omringde mij nu. Ik zag
nu ook een deur en achter mij hoorde ik iemand aankomen
lopen. Ik draaide mij om en zag Nada, zoals zij
eens was voor haar ziekte. Ik stond perplex en schaamde
mij. Want al die tijd vanaf het moment dat ik met
Julio al deze levens doorliep en vreugde, liefde
en verdriet voelde komen en gaan, had ik geen enkel
moment aan Nada gedacht. Ze zei echter niets en
glimlachte naar me en een diepe geheimzinnigheid
overmeesterde mij. Ik glimlacht terug hoewel erg
onzeker, want ik wist en voelde dat er weer iets
stond te gebeuren.

Langzaam ontwaakte ik uit een rusteloze toestand.
Ik was mij bewust van vele dingen en toch weer niet
en een vreemde gewaarwording overviel mij, alsof
vele herinneringen mij terugbrachten tot dit ene
punt. Ik kon me er niet van losmaken, maar bovenal
zag ik ook niet alles meer scherpomlijnd. In deze
beleving werd ik heen en weer geslingerd tussen
werelden, die alle geheel verschillend van aard
waren. En nog steeds was ik mij niet bewust van
de juiste werkelijke wereld, waarin ik mij nu bevond.
Ondertussen kreeg ik ook een steeds grotere heimwee
en verlangen om Julio weer te zien, te spreken en
vragen te stellen en daar durfde ik op dit moment
al nauwelijks meer aan te denken: aan de te verwachte
en uitgesproken verbintenis met Gunawan.
Alles vloog door elkaar heen.
Mijn wezen was met droefheid omhuld. Een diep stilzwijgen
in mij vervulde me met eenzaamheid. Als een van
de vele miljoenen sterren, trilde ik zelf aan de
avondhemel en beneden mij zag alles zwart. Het grote
onbekende, de leegte maar ook de diepgewortelde
angst die mij ervan afhield het geluk te beproeven.
Toch voelde ik weer beweging in mij komen, alsof
juist dit moment van een diepe gezonkenheid weer
reden was om de volgende symbolische handelingen
te moeten aanschouwen.

Ik werd mij een menigte gewaar, die alle stonden
te wachten op iets dat enerzijds afschuwelijk kon
zijn, maar aan de andere kant een liefdevol ritueel.
Ik stond zelf voor een indrukwekkende poort met
aan weerszijden twee hoge torens. Ik liep er naar
toe, maar bleef op de drempel van de deur staan.
Niemand zag mij en ik begreep ook dat ik nauwgezet
moest opletten, want ook deze situatie scheen belangrijk
voor mij.
Er stonden twee lange tafels, parallel aan elkaar
en iets schuin naar achter van elkaar toe weglopend.
Aan de voorkant van de twee tafels stond een vrouw,
een priesteres scheen het mij toe geheel in het
wit gekleed. Er werden twee mensen onder zachte
aandrang aangevoerd. Aan de ene kant vrij, maar
ook weer gedwongen door een onbekende macht en ik
begreep ook dat deze twee mensen een rituele handeling
moesten ondergaan. Ik probeerde diep in mijn eigen
herinnering te graven naar iets waar zich dit zou
moeten afspelen, maar niets wat mij bekend was deed
mij denken aan deze taferelen. Iets in mij gaf echter
wel een verklaring, dat hier op een rituele wijze
een scheiding van zielen plaats vond. Dan was het
ook niet vreemd, dat mijn gevoelens zo tegengesteld
reageerden. Want deze oerzielen waren zich nog niet
geheel bewust van hun omgeving en deze rituele handelingen
en de mogelijke gevolgen hiervan. Toch ondergingen
zij deze plechtigheden min of meer vrijwillig met
de belofte van een bewustzijnsverruiming, maar het
verliezen van je eigen tegendeel. Zo ging ieder
zielsdeel zijn en haar eigen weg, op weg naar een
eigen bewustzijn. Een vrouw links van de linker
tafel weglopend en een man rechts van de rechter
tafel. Steeds verder weg van elkaar tot aan het
eind van de tafel de scheiding compleet was en herinnering
aan de verbondenheid verdwenen was. Zo was alles
voor de grens een eenheid van onpersoonlijk en liefdevol
Licht tot aan het moment na het passeren van de
twee tafels. Ieder Lichtwezen stond hier met de
hoopvolle verwachting om als een gedeelde persoonlijkheid
door de poort naar het land erachter te gaan.

Ik bevond mij in een draaikolk van emoties, verlangens,
niet meer wetend wat te doen. Ik liet mij daarom
gaan en ik werd meegesleurd al draaiend en slingerend
door de tijd. Toch zag ik steeds weer beelden bij
mij opkomen. Uit mijn kinderjaren. Ik was 12 jaar
of zoiets daaromtrent en zag een meisje staan op
de balustrade met vrolijk wapperende blonde haren
en een onschuldige glimlach in haar fluweelzachte
gezicht. Een paar heldere ogen keken naar mij en
een gevoel van herkenning deden mij opveren uit
mijn verstarde houding. Toch waren deze gevoelens
van herinneringen aan lang vervlogen tijden (misschien
wel duizenden jaren) weer een muur van tegenstrijdigheden,
van onvervulde of misschien wel onverhulde verlangens,
die mij altijd parten speelden. Toch het meest ultieme,
het meest ontroerende van deze meisjesachtige stralenkrans
had niets met mijn verlangen te maken. Het beeld
van het meisje daarboven mij op het balkon had iets
betoverends voor mij. In mijn herinnering, die ik
nu werkelijk zag in deze kolkende stroom van emoties
had ze iets mystieks en als een soort mist van fijnkleurige
en heldere gestalte omstraalde haar als ware het
alleen maar om haar beeld te intensiveren. Ik stond
daar uiteindelijk alleen maar en keek toe, niet
wetend wat te zeggen. Zij sprak tegen mij in een
lang vervlogen en vergeten taal, zodat ik niet begreep
wat ze bedoelde. Tegelijkertijd opende ze haar handen
en een stroom van helder verlichte diamantachtige
sterrengefonkel straalden uit haar handpalmen en
vielen voor mij op de grond. Ik raapte de steentjes
op, die een buitengewone schoonheid bezaten zodat
ik sprakeloos op de grond neerknielde. Daarna was
ze verdwenen en heb sindsdien niets meer van haar
vernomen of het moet ooit in een van mijn dromen
daarna zijn geweest. Toch wist ik onbewust dat haar
verschijning op het balkon iets onuitwisbaars in
mijn verdere leven heeft gegrift. De betovering
van mijn jeugdjaren of aan mijn kindheid was verbroken.
Of ik werd juist nu geboren, niet meer wetend wat
hiervoor geweest was en daardoor leek het nu vreemd
en in een verkeerd leven. Hierdoor kwam nu ook voor
het eerst een niet aflatende stroom van heimwee
en eenzaamheid, die mij geregeld en vaak overvielen
op blinde momenten in mijn verdere leven vanaf dat
moment.
Toch wist ik ook, dat ook zij met haar verschijning
een groot verlies moest incasseren. De woorden hiervoor
zijn alleen maar uit te drukken als een steen die
in een stil water valt. Door haar materiele verschijning
werd ook zij overweldigd en zich voortaan bewust
van de zwaarte van lichaam en geest. Door deze opgedeelde
deling van het eigenlijke Lichtwezen, moest ook
zij zich een weg banen.
Op dat moment, op mijn twaalfde jaar werd ook ik
voor het eerst bewust van deze scheiding der zielen.
Ooit in een verplichte vrijwilligheid ondergaan
en nu wachtend op de belofte van de verbinding wat
ooit ontbonden werd.
|