|
13. De tempel onder de grond
Ik zal je vertellen van het allermoeilijkste
gedeelte van mijn levensverhalen: het doorgronden
van de ziel. De Eenheid, de Liefde, de traan die
het Licht weer uitdoofde. Kracht zeggen de Tarotkaarten.
Voor wie, voor wat eigenlijk, niet gevoeld of zou
het anders zijn als je het wel voelde? Ook de tegendelen
van de Koningin van de Pentacles en de Prins van
de Staven. Het mystieke symbool van de eenzame strijder.
(Notitie uit een van de vele aantekeningen uit het
Boek van Orfilan).

Die eerste nacht bij mijn vriend Minoo droomde
ik, wat ik in de regel toch niet zo vaak deed; hoewel
mijn leven een aaneenschakeling was van realiteit,
droombewustzijn en andere reële en irreële
werkelijkheden.
Ik wist dat ik op mijn bed lag te slapen. Van het
ene op het andere moment werd ik van mijn bed gelicht
en zacht wiegend opgenomen door twee handen, die
me liefdevol voortbewogen door de ruimte die nog
het meest leek op een dichte mist waar de zon door
heen wilde breken.
Langzamerhand werd ik in mijn droom wakker en liep
door een mistig bos, waar verrotte bomen stonden.
De verkilling had hier toegeslagen: een diep tragisch
oord waar niets meer wilde groeien. Er klonk geen
geluid, maar toch was het niet stil. Het zachte
gekerm van overrompelend leven en verstarring drong
diep door in mijn botten. Mijn lopen werd steeds
moeilijker, alsof mijn ledematen, mijn wil door
deze kracht werd ontzield.
Op een gegeven ogenblik kwam ik een wegafzetting
tegen op zomaar een bosweggetje waar ik liep. Er
stond een bordje bij met de tekst "Verboden
toegang". Het scheen mij toe alsof deze woorden
mij wilde uitlachen. Ik voelde mij koud worden en
een ijzige wind deed mijn hart bevriezen. Mijn hele
gevoel stroomde langzaam in mij weg. Ik stond daar,
nagenoeg gelijk aan de bomen, de verrotting nabij
en het enigste wat mij overbleef was het schrikwekkend
denkbeeld "in Gods naam, wat doe ik hier?"
Ik wist, dat als ik niet gauw iets zou ondernemen
ook mijn denkvermogen zich zou ineenschrompelen
om ten slotte met een luid gekerm hetzelfde lot
te moeten ondergaan als alles hier.
Ik trachtte in mijn herinnering te zoeken naar iets
wat hier op leek, doch iedere vluchtige greep werd
direct als door een waterval meegesleurd in een
duistere diepte.
Ineens werd mijn langzaam wegzinkende bewustzijn
opgeschrikt door een ander geluid. Ik hoorde een
stem, diep binnen mij klagen. Een roep, een stem
verstomd door zijn eigen verdriet drong langzaam
in mij door en werd luider en luider. Mijn hoofd
barstte langzaam uit zijn voegen, alsof de halve
mensheid op deze wereld hun geweeklaag uitstortte
in mijn hoofd. Ik keek rond en zag gruwelijke dingen
gebeuren, die mijn fantasie te buiten gingen. Heel
mijn lichaam stond in brand en met mij al de wezens,
eens mensen, die in hun verminktheid toch bij machte
waren zich tot mij te wenden. Alsof ik bij machte
was in hun ellende verzachting te brengen.
Of was het niet ook mijn ellende? Ik herkende een
mij onbekend gezicht. Een man, kermend van pijn
en wroeging, brandend vanaf zijn tenen tot hoofd,
die langzaam op mij toeschreedt. De handen naar
mij uitstrekkend in een gebaar van: bevrijdt mij.
Ik hoorde de omstanders gillen en joelen, niet wetende
dat ze zelf ook in brand stonden. Ineens begreep
ik, dat hier een gruwelijk proces werd volbracht.
Een man, onschuldig, maar met een pijnlijk hart,
werd hier terechtgesteld op een brandstapel aanschouwd
door een krankzinnige menigte.
Daartussen stond een vrouw met lege, uitgehuilde
ogen. Zij droeg een kind, dat dood lag in haar armen.
Mijn blik werd aangetrokken door dat kind en werd
een glans gewaar; alsof de aanwezige mist door een
mystieke wilsmacht werd samengebundeld en in dat
kind vloeide. Tegelijkertijd transformeerde dat
kind zich in een violetachtige glans van luchtledigheid
en een zucht van verlichting daalde neer over deze
kille plek. Ik kreeg weer gevoel in mijn lichaam
en bleef maar denken aan dat kind.
Ondertussen was het bos weer geworden zoals ik het
voor het eerst betrad: kil en koud en nog steeds
stond ik voor dat hek. Niet wetende wat te doen
ging ik zitten op een nabij gelegen bankje. Ik begreep
echter niet waarom hier zo nodig een bankje moest
staan. Na een tijdje hoorde ik weer geweeklaag,
maar nu van één persoon. Het geluid
leek wel uit de aarde zelf te komen. Ik probeerde
mij te concentreren op waar het vandaan kwam, maar
het geluid bleek toch niet uit één
bepaalde richting te komen. Ik schrok ervan, want
ik hoorde het duidelijk maar hoe ik mij ook inspande:
het leek nergens vandaan te komen.

Ineens werd een deel van mij opgenomen en ik belandde
in een kelderachtige ruimte, diep onder de grond
en een prinselijke verschijning zat in een hoek
en scheen mij niet te zien. Hij sprak in een mij
onbekende taal, maar door een of andere taalbarrière
heen begreep ik, dat hij onophoudelijk een naam
uitsprak.
Aan weerszijden van deze ruimte waren twee deuren,
die echter openstonden en hierachter stonden twee
vrouwen. Links van mij stond een vrouw met gitzwarte
haren, overmatig getooid met gouden sieraden. Zij
had een veelkleurig gewaad aan, bestikt met vele
lappen en één borst had zij ontbloot.
Op haar armen droeg zij een naakt kind. In haar
ogen las ik verdriet en opgekropte woede om haar
eenzaamheid. Zij keek naar de vrouw tegenover haar,
hoewel zij haar niet kon zien. Deze andere vrouw,
gehuld in een spierwit kleed had lang blond golvend
haar, dat over haar schouders hing. Met iedere lichte
beweging die ze maakte, veranderde de kleurschakering
om haar heen. Ik hoorde het zachte getinkel van
zoetstromend water, dat uit een kelk die ze droeg
stroomde en in het niets oploste. In haar ogen lag
een liefdevol begrip, maar tevens een geduldig en
afwachtend verdriet en ik begreep dat ook zij, een
hemelse verschijning als ze was, wachtte op haar
bevrijding.
In mij werden langzaam de volgende woorden gelegd:
"Vriend, je staat hier in een van de vele
tempels, die onze schone Aarde telt. Hoewel je nog
weinig kunt zien of bewust bent van haar pracht,
ligt er toch een glans ervan opgeslagen in jouw
bewustzijn. Het lange wachten op de voltooiing is
bijna ingelost. Je lichaam van Nu ligt vredig bij
Minoo te slapen en Hij, een deel van jouw eigen
Hoger Bewustzijn zoals het in jullie taal ongeveer
heet, is alom tegenwoordig en is gereed om met jou
de geestelijke Band te smeden, waar jij zolang naar
verlangd hebt. De persoon, die daar in de hoek zit,
is een daartoe voor jouw droombewustzijn gematerialiseerd
beeld van al je wanhopige maar ook serieuze zoekpogingen.
Het is jouw wil om te zegevieren en tenslotte te
vinden en te binden wat ooit ontbonden was. Het
is ook jouw 1e wachter op je pad en zonder ophouden
spreekt hij een voor jou nog onbekende Naam uit.
Het kind, dat de zigeunervrouw draagt is of was
ook jouw kind, maar ook het gevoel en streven naar
Eenheid. Tevens is het in een bepaald opzicht Julio,
die zijn eigen hogere Wilskracht in het Kind heeft
gelegd en deze wacht om te worden doorgegeven via
de Moeder naar de Vader in een omgekeerd bevruchtingsproces.
Verdere woorden schieten hier te kort om dat proces
beter te omschrijven. Het was dus eens jullie Kind,
zoals je al wel weet.
De zigeunervrouw is ook het losgeweekte eenheidsprincipe
van de Twee-Deling, de Eenheid in de dualiteit.
Of zoals je wilt het principe van Yin-Yang. De vrouw
en het kind samen vormen het bindingsprincipe zoals
het voor jou en Gunawan geldt. Soms spreekt men
ook wel van Karma, maar helaas heeft dat zoals vele
mooie principes geleid tot misvattingen. Karma is
niet het inlossen van Schuldvraagstukken. Dit laatste
bestaat echter wel, maar is gelukkig niet meer voor
iedereen geldig. En zeker niet meer voor jullie
twee, want zoals je Nu ziet is het Gunawan de vrouw,
die rechts in de deuropening staat en Nu nog niet
in staat je aan te raken en te verbinden.
In je huidige Aardse leven zal dit echter wel geschieden
en op een manier die je niet zal verwachten. Haar
Beeld moet je proberen voor ogen te houden en er
proberen in op te gaan. Neem het Beeld ook mee in
je Ziel en vorm deze zoals je eens een andere Wereld
hebt beleefd met Gunawan. In haar hoedanigheid en
beeld zoals Zij nu Hier staat vormt zij ook de 2e
Wachter, maar daar kan en mag ik nu verder niets
over zeggen".
|