|
12. De klokkenmaker
Moe maar voldaan stapte ik voort. Ik was er bijna,
dat wist ik. Precies een jaar nadat hier voor mij
die vreemde gebeurtenissen begonnen. Ook nu stonden
de gewassen goud en geel blakend in de zon te wachten
op het jaarlijks terugkerende ritueel van het oogsten.
Hier en daar waren al boeren met hun metgezellen
bezig voorbereidingen te treffen. Eigenlijk onnodig,
maar zo gaat dat vaak met Aardse zaken. Het was
ieder jaar toch weer een zwaar karwei, want alles
gebeurde in deze tijd nog met de hand. Paarden zwoegden
met afgeladen karren vol met zakken koren, gerst
en hooi.
Zelfs bijen zag je bedrijvig de laatste restjes
honing verzamelen in de met bloemen versierde velden.
Ook veel kinderen waren er, die spelenderwijs het
werk van hun ouderen leerden. Ieder jaar weer hetzelfde
tafereel waar de mensen zich aan vastknoopten als
een soort van tijdszekerheid, die toch nooit eeuwig
zou duren. Maar het hoogtepunt was zoals altijd
het oogstfeest, dat een hele week duurde.
Hier liep ik en stak mijn hand hier en daar begroetend
op naar bekende gezichten. Sommigen zwaaiden vriendelijk
terug; de meeste echter waren terughoudend, want
ik stond hier bekend als een vreemdeling en erger
nog als een zonderling en vorig jaar tijdens mijn
mysterieuze verdwijning vlak voor het oogstfeest
werd er druk over gepraat. Er werd gespeculeerd
dat ik in alle windrichtingen overal en nergens
ineens spontaan opdook en dan weer in rook opging.
Nou ja in ieder geval was ik een veelbesproken onderwerp
geweest in dit land waar weinig meer gebeurde dan
de plaatselijke en familiaire feestelijkheden.
Ik maakte mij er niet al te druk om en slenterde
gestaag voort naar mijn vriend, die hier al jaren
een teruggetrokken leven leidde. Hij repareerde
hier klokken en allerhande uurwerken en dat was
het enigste wat hem een beetje aanzien gaf. Niemand
wist echter, dat hij meer met de tijd had dan alleen
het weer "op tijd" zetten van deze uurwerken.
Hij was ongeveer net als ik iemand die bij gelegenheid
in en uit het leven en door de tijd stapte. Verder
bekommerde men zich weinig om hem, wat hem in het
geheel niet deerde. Het was zijn keuze geweest om
zich hier te vestigen en zich uit het drukke leven
terug te trekken. Hij had in de grote stad, drie
uur gaans hier vandaan een goed lopende klokkenwinkel
gehad en zodoende had hij een aardig fortuin gespaard.
Het was steeds weer een feest om bij hem binnen
te komen en zijn klokken verzameling te aanschouwen.
Er waren exemplaren bij, die je het gevoel gaven
dat er geen tijd bestond, hoewel ze schrikbarend
precies op tijd liepen. Iedere keer weer stond ik
met open oren te luisteren naar de exactheid waarmee
juist deze klokken tegelijkertijd hele en halve
uren sloegen. Het grappige was, dat sommige van
deze klokken om de 12 uur als een symfonie orkest
met elkaar in conclaaf gingen en de ene na de andere
onder- en boventoon produceerden, die je geheel
in vervoering konden zetten.

Ik verliet de weilanden in een verheugde stemming
en besteeg weldra de Bosweg, die hier ook zo genoemd
werd. Er was hier een groot bos achter alle weilanden
en tuinderijen waar de mensen liever niet kwamen
en mijn vriend woonde aan de rand ervan. Het spookte
er zei men en de diverse volksoverleveringen gingen
van mond tot mond en werden zo veelvuldig s' avonds
verteld bij de open haard als de schemering was
ingetreden. Zeker bij volle maan, want zo vertelde
men dwaalden er vele vreemde machten rond door de
duistere en door de maan verlichte bossen.
Een zo'n verhaal gaat over een schone prins (hoe
kan het ook anders), die op midzomernacht zijn verdwenen
gemalin ging zoeken. Ooit naar het scheen was zij
verdwaald in het bos. Ergens op een open plek heel
diep in de bossen waar dertien kolossale eiken een
soort van heksenkring vormde, stond een vervallen
huisje waar de nietsvermoedende en zoekende prins
aanklopte. De deur werd vriendelijk geopend door
een voor het oog uitziende oude vrouw. Na en door
een heerlijk gastmaal werd de arme prins alras door
de oude heks in een bedwelming gebracht, waar zij
hem opsloot in een diepe kelder onder het huisje
en daar zit hij nu nog naar men zegt. Bij storm
en regen hoort men hem nog vaak klagend zingen over
zijn verloren liefde en zijn eeuwigdurende zoektocht.
Al mijmerend over deze legende troffen mij de gelijkenissen
en overeenkomsten met mijn eigen levensverhalen
en besloot mijn vriend hierover te ondervragen.
Eindelijk kreeg ik de twee rijzige beukenbomen in
zicht, die het huis van mijn vriend opsierden en
als twee wachters als het ware vreemde indringers
buiten hield en bescherming bood tegen nog duistere
dreigingen.
Dat gevoel had ik altijd als ik deze poort doorging,
alsof je een aura van goudgeel licht inliep en deze
niet van je week tot je weer wegging. Nu ja als
je eenmaal hier als vriend binnen was geweest, nam
je altijd iets van de glans ervan mee.
Ik draaide me nog een keer om en keek over het prachtige
veelkleurige landschap en in een flits overdacht
ik de reis, die ik het laatste jaar gemaakt had
en de vreemde mystieke gebeurtenissen welke ik het
laatste jaar met mij meedroeg als een soort last
en nooit goed heb begrepen en die mij zo nu en dan
verdrietig maakte, maar ook zoete mijmeringen bracht.
Toen draaide ik mij resoluut om en opende het tuinhekje
dat een beetje piepend meegaf alsof er een lichte
barrière overwonnen moest worden en zag plotseling
mijn vriend, stralend en met een hem altijd sierende
glimlach. Ik schrok even, want een vluchtige herinnering
aan een schaapsherder schoot door mij heen.
Minoo legde twee grote maar fijngevoelige handen
op mijn schouders, die mijn lichaam als een soort
ontladende tinteling onderging. Wij omhelsden elkaar.
Het geblaf van Minoo's hond deed ons ontwaken uit
deze kortstondige eenwording en in stilte liepen
we het huisje in waarna de deur zachtjes in het
slot klikte, want buiten was het ondertussen schemerig
geworden. Regenwolken hadden zich samengepakt, die
een zachte regenbui en een natuurlijke verkoeling
veroorzaakte.
De nachtelijke rust steeg langzaam op in de landen
voor het bos, waar ik wederom verdween en mij klaarmaakte
voor weer een andere reis.
|