"De zeven Tuinen van Orfilan"
<< Volgende >>

Epiloog 1

Dit korte stukje hieronder is opgeschreven begin 1984. In de tien jaren daarop volgend heb ik sporadisch verder geschreven. De laatste jaren is het verhaal overgegaan in een ander verhaal. Het verhaal van Kivar in het epos van Eichilos, wat in wezen antwoord wil geven op het eerste verhaal. Waar ik mij over verwonder is de vraag wat "echt" of "onecht" is in dit leven. Wat zogenaamd "echt" is, blijkt voor mijn gevoel niet zo te zijn en daarbij mijn eigen spiegel op de wereld niet vergetend. Zo is mijn eigen bijgaande verhaal in mijn herinnering wel "echt". Of dat uiteindelijk wezenlijk belangrijk is, laat ik in het midden. Spiritualiteit en/of "het leven" is vaak ook humor en soms anders zoals het zich in de zgn. werkelijkheid afspeelt.

First Contact:

Ik heb veel over deze mogelijkheden nagedacht, maar nu ik jullie ontmoet gaat dat boven mijn verstand. Wie zijn jullie?

"Dat is moeilijk te zeggen. Wij zijn personificaties van wat eens was en wat hopelijk (zelfs wij hopen dat) eens zal zijn. Een soort tussenvorm. Je kunt ons misschien vergelijken met sommige overleveringen van indianen of zigeuners in vroeger tijd. Een realiteit, hoewel dat voor hen zelfs niet altijd een realiteit in aardse vorm was".

Je spreekt een beetje moeilijk.

"Ja voor ons is spreken en uitleggen moeilijk, omdat wij niet van deze wereld zijn. Wij komen en gaan, maar zijn in dat opzicht essentieel voor jullie; hoewel veel van jullie soort dat misschien niet eens waard zijn. Zonder ons zouden jullie niet kunnen overleven".

Ja dat begrijp ik, maar waar leven jullie dan?

"Nou wij leven in een andere wereld dan jullie; hoewel van dezelfde hoedanigheid toch in een andere dimensie en leiden daar een soort zwerversbestaan, omdat dit noodzakelijk is voor jullie voortbestaan. Wij ruimen de troep op van jullie, snap je"?

Dit zei Julio met zo'n ernst alsof ik mijzelf schaamde voor alles wat er in deze wereld voor narigheid was.

"Ook wij zoeken, anders dan jullie naar een formule voor de overgangsvormen tussen hier en bij jullie, die voor ons heel gewoon, maar voor jullie stervelingen nog lang niet mogelijk is".

Hierna volgt een verhaal, misschien niet helemaal goed geschreven of bij het eerste lezen ervan niet geheel duidelijk, maar wel van een schoonheid - althans zo is het beleefd - waarvan de glans alleen nog maar gevoeld kan worden in een traan van ontroering en herinnering. Dit is voor mij de enigste, maar wel ultieme belofte voor de komende transformatie: een nieuwe dimensie in een andere tijd en een andere wereld. Een verhaal over leven en dood, door elkaar heen en zich tegelijkertijd afspelend in een materiele wereld zoals de onze en in vele andere dimensies.

Wat eens opgeschreven is, zal later in het "lege Boek" van Kivar worden gepubliceerd. Van het begin tot het einde en dan vervolgend. Nu zijn deze woorden, die volgen alleen nog duidelijk voor mijzelf.

Epiloog 2

Ik liep de deur uit. Mijn begeleiders Julio en Gunawan achterlatend, in stilzwijgen. Iedere voetstap liet een goudkleurige stofwolk opwaaien om zich te verenigen met de eeuwigdurende helderheid. Ik stak het water over en als een flits van herinnering blies een warme zomerbries door turkooisachtige bomen over mij heen. Ik glimlachte en blij was ik als nooit tevoren. De klus was geklaard: alle ballast opgeruimd en met liefde een plek gegeven waar het verder in stilte kan sluimeren. Donkere wegen ben ik gegaan; ik heb de pijn gevoeld van doodgaan, schreeuwende mensen, chaos gespietst aan de uitdovende zonnestralen in de nachtelijke hemel.
Daarentegen heb ik liefde gezien en doorschouwd, hoewel nog niet doorleefd, maar de glans ervan is in mijn herinnering gegrift als een gouden laagje vernis, onslijtbaar en eeuwigdurend.

Lege manden om te vullen, maar nu voorzichtig hier en daar wat nemen, niet te veel om in het geluk deze kostbaarheden weg te geven als een dierbaar geschenk. Ik loop verder en hoewel mijn lichaam en bewustzijn zwaarder worden met iedere stap die ik zet, weet ik dat dit mijn weg is. Dromend in de werkelijkheid. Langzaam gaat het landschap over in een bos en nog eenmaal zie ik in een waas Gunawan. Een regen van zilverkleurige draden daalde neer evenals mijn tranen. Ik stap moedig verder en loop door de poort naar buiten de wijde wereld in. Hier zou ik nooit meer terugkeren en een gevoel van heimwee en verlangen kwam in mij opzetten. Echter een stem diep in mij deed deze verbleken en maakte plaats voor iets anders. Verleden en toekomst komen samen als op een kruispunt.

Het is ondertussen nacht geworden en nog steeds zwervend slenterend loop ik door nieuwe bossen, niet meer eindeloos. In de verte zie ik een witgelige gloed door een bomenrij schijnen en een gevoel van herkenning en geluk steeg in mij op. Ik loop verder en zie iemand op mij toelopen. Ik voel verwarring in mij opkomen, want in het avondlijke schemer kan ik niet helder zien en voelen. Er schiet een herinnering door mij heen: een beeld ooit ergens beleefd en nu sluimerend wachtend op geluk. Hand in hand lopen we naar een kampvuur, knetterend in de vredige stilte van het ogenblik en gaan zitten in de tegenstelling van jarenlang zwerven en het thuis zijn. Een man tegenover ons steekt een pijp op en slierten rook kringelen op en vormen zich tot beelden. De man kijkt ieder van ons aan en glimlacht. Zijn ogen fonkelen in het vuur. Dan begint hij een verhaal te vertellen en als in een sprookje worden wij meegevoerd en in het geluk van deze woorden omhelzen wij elkaar.