|
6. Lichtlichaam
Mijn oog viel op de vele deuren hier toegang verlenend
aan deze bijzondere zaal. Het licht weerkaatste
als kleine sterren op in de glanzende vloer, die
zo leek het geen diepte van zichzelf had. Eindeloos
keek je in de weerspiegeling van deze glans. Toch
gaf het ook een solide basis en steun verlenend
aan je voetstappen, die je hier met respect en passie
tegelijk deed. Mijn geest verdiepte zich met iedere
volgende zuivere blik, die ik probeerde te volgen
in deze eindeloze diepte. Ik was alleen hier en
niets in deze verre leegte deed dat veranderen.
Toch voelde het als een liefdevolle begroeting zonder
stem of gebaar. De aanraking was er een van stilte;
niets bewoog alleen de onzichtbare bewegingen deden
zichzelf ontelbare keren herhalen alsof deze boodschap
je iets wilde duidelijk maken.
Daar stond ik op een stenen gepolijste vloer zonder
oppervlak, zwevend boven een eindeloze leegte zonder
enige herkenbare betekenis. Ik wachtte en in een
totale eenzaamheid van het moment overviel mij een
huivering, mij eerst heel zacht aanrakend in de
diepste poriën van mijn zenuwen. Maar deze
huivering werd sterker en tegelijkertijd warmer
alsof een warme woestijnwind zacht door deze ruimte
werd geblazen.

Het was de deur recht voor mij, die zich langzaam
opende zoals een zachte lentebloem zijn blaadjes
opende in de eerste zonnestralen van de ochtenddouw.
Dat is ook wat ik zag nadat de deur uiteindelijk
volledig open stond. Lichtstralen die op mistige
slierten speelden met deze zachte bries en witte
vormen van Licht voorstelden, eerst wazig maar steeds
duidelijker herkenbaar. Ik zag een lange gang wederom
zonder einde leek het en deze ranke Lichtvormen
schreden majestueus naar de zijkanten van deze lange
gang en zo zag ik eindeloos links en rechts van
deze gang een langgerekte rij Lichtwezens staan,
die mij leken te begroeten zonder enige beweging
of gebaar en zij stonden mij uitnodigend op te wachten
op mijn doorgang door deze gang. Ik liep langzaam
op de deur voor mij toe en stond nu in de deuropening
ervan even te wachten om een vage angst te laten
wegebben in de stille leegte achter mij.
De gang voor mij was een witlichtend schouwspel
met vele vormen, sommige bizar en onherkenbaar en
andere zuiver geometrisch. Door de snelheid van
deze Lichtentiteiten leek het toch alsof er een
zuivere serene rust vanuit ging en er was tegelijkertijd
een onverklaarbare aantrekkingskracht op het Licht.
Ergens heel ver weg in deze eindeloze diepte van
deze gang, werd ik mij een blauwe waas bewust. Het
leek eerst een bol van lichtblauw licht te zijn,
trillend in zichzelf en van vorm en grootte veranderend
alsof het ook moeite had een duidelijke vorm aan
te nemen. Ik zag echter ook wat er daarna gebeurde,
want ik liep de gang en het licht in min of meer
gedwongen, eerst langzaam maar steeds sneller en
alles in mij gloeide op alsof de herinnering hieraan
nog steeds precies wist hoe dit te doen. Mijn Lichtlichaam
straalde nu ook in lichtblauw met al haar kleurintensiteiten
en voor ik wist wat er gebeurde stond ik voor wat
het leek mijn eigen spiegelbeeld. Sprakeloos in
verwarring, maar toch met een duidelijk gevoel van
herkenning, werd ik liefdevol opgenomen in het andere
Lichtlichaam en de volgende woorden werden in mij
gelegd en tegelijkertijd eruit getrokken.
Er is nu een hele kleine groep wezens op deze
Aarde beland, juist in deze tijd. Niemand weet waar
ze vandaan komen en momenteel weten ze het zelf
ook nog niet. Dolers in de ruimte, wezenloos. Zij
hebben zich opgeofferd om weer oude kennis te laten
herleven uit de oude vergetelheid. Geen kennis specifiek
voor deze Aarde of voor de huidige mensheid, want
de huidige mensheid heeft dat nog nooit geleerd
of geweten.
Er is nu nog geen contact met de Bron, omdat de
afstand binnen de huidige ruimtes nog te klein is.
Deze wezens, levend als mensen op deze wereld voelen
zich daardoor ook nog wezenloos, onwezenlijk, maar
dat gaat nu veranderen.
Het aardse leven gaat min of meer aan hen voorbij,
omdat deze voor hen niet altijd relevant is. Op
materieel vlak zijn ze er echter wel aan gebonden
en weten daarom niet altijd hoe zij zich staande
moeten houden.
Toch weten Zij, maar ook weer niet; vreemd en
vreemd in een vreemd lichaam.
Er gebeurde nu een heleboel tegelijkertijd, waarover
ik nu nog niet kan praten maar het leek alsof woorden
uit de diepte van mijn Ziel omhoog werden geduwd
die de poriën van mijn zielenkanalen deden
openen. Het Lege Boek van de Zeven Tuinen van Orfilan
zou nu opnieuw gevuld worden en het vreemde en het
onwezenlijke zou zich nu openbaren en plaats maken
voor een Nieuw Licht en Nieuwe Informatie voor de
huidige tijd. Woorden die niet uitgesproken konden
en mochten worden zouden nu zorgen voor een nieuwe
transformatie en evolutie.
|
|
In de onherkenbaarheid
van de duisternis
Stak een Licht op
Die de raadselen van een Waas glans gaf
En de letters van een Gevoel lichtten op
Alsof de onherkenbaarheid
er nooit geweest was
Een illusie, die het ego vormgaf
En nu verbrokkelde
In het Licht van de Liefde
Een stroom van Liefde borrelde
op
Uit de duisternis van de emotie
Maar nu, herkenbaar en stromend
Geeft het extra Glans aan de Lichtheid
Herkenning in de spelonken
van de onzekerheid
Een traan die opwelt na zoveel onzekere momenten
En nu terugvloeit in de Liefde
Een traan, die wordt opgenomen door een andere
traan
En uitmond in een zee van
verlangen
Koesterend in het Hemelse Rijk van het Hier
en Nu
En daarmee nieuwe Poorten opent
In de herkenbaarheid van het Licht en een
wederzijdse Liefde
Orfilan
|
 |
|