<< Vorige >>
"Epos van Eichilos"
<< Volgende >>

4. Het Oude en het Nieuwe Boek

....Na deze wonderlijke ontmoeting ontwaakte Kivar uit zijn dagdromen en inmiddels liep het tegen zonsondergang. Een vreemde sluier kronkelde nog door zijn hoofd en langzaam kwamen herinneringen boven van een land ver weg. Vriendelijke dorpjes wisselden elkaar af met uitgestrekte bossen en vreemde paden. Er was een dreiging van buiten af; van buiten het land zelf en er groeide langzaam een onbepaalde angst in de harten van de mensen, die daarvoor altijd zonder angst en in vrijheid en vrede leefden.

Het "Grote Boek" zorgde voor dit leven zonder angst, maar op een kille herfstmorgen was het boek leeg: De letters waren er op een wonderbaarlijke manier uit verdwenen. Kivar was bij de Hoge Raad geroepen om als druïde raad te geven bij deze verdwijning. Hij was de laatst overgebleven tovenaarsleerling, zoals dat zo heette. Zelf vond hij dit altijd een raar woord. De Grote Tovenaar was bij de eerste zon dat jaar plotseling overleden en was daarmee aanleiding voor de eerste "Onrust", die in de harten van de mensen sloop.
Kivar was met zijn inwijding bezig, ver weg in de grotten van het Achterland en s' nachts had hij al een droom gehad over de dood en overgang van de Grote Tovenaar. Ook had hij een leegte aanschouwd en zich daarover zeer verwonderd. Dat waren gedachten en flitsen, die door zijn hoofd suisden bij het wakker worden en daar was ook de verschijning van Gunawan - Hij was haar al die jaren vergeten en als jongeling was hij dagelijks met haar omgegaan: Een bijzonderheid, maar geaccepteerd door het kleine volkje van het stadje waar hij woonde. Want Gunawan liet zich nooit zien en de geruchten gingen vaak over vreemde verschijningen, die alleen aan Kivar werden geopenbaard. Toch stond hij in hoog aanzien en zeker nadat de "Grote Tovenaar" was heengegaan.

Kivar had die dag besloten om de zoektocht naar de Verdwenen Letters te aanvaarden en hij gebruikte vier dagen om zich voor te bereiden op deze vreemde en gevaarlijke reis. Hij had besloten oostwaarts te gaan; direct naar de zee en hoopte in de branding van de Najaarswinden de wijsheid te vinden waar heen te gaan. Op de middelste dag van Herfst zou de 2e zon van Eichilos voor het laatst ondergaan om op de middelste dag van Lente weer naast de hoofdzon op te komen.

Hij had alleen het Lege Boek meegenomen in z'n plunjezak, naast het "brandon": het reisvoer van Eichilos dat maandenlang meeging en over zeer krachtige voedingselementen beschikte en tevens de geest helder maakte. Kivar stond op en keek om zich heen; het werd langzamerhand donkerder, maar er was genoeg te zien om zich de dingen te herinneren van die laatste gedenkwaardige dag.
Aangespoeld op de branding van deze krijtwitte stranden, de twee ridders te paard die ook weer plotseling verdwenen, de korte tocht naar deze verlaten gebouwen en de plek hier voor de ommuring van dit prachtige klooster. Hier bij de Grote Poort had Kivar de verschijning meegemaakt en nu verlangde hij innig naar de wijsheid om te besluiten wat te doen.

Twee machtige eikenbomen stonden als twee wachters opgesteld voor de immense eikenhouten deur van het klooster. Verfijnd stonden inscripties ingekerfd, die Kivar echter niet kon lezen, maar hij had wel het vermoeden dat het om een geheim van het klooster zelf ging. Kivar probeerde de deuren te openen, maar hoewel niet zichtbaar, bleken de deuren niet mee te geven. Geen enkele fysieke kracht zou ze doen opengaan. Kivar speurde tevergeefs naar andere symbolen of geheime tekens, die aangaven hoe de deuren open zouden gaan.
Inmiddels werd het langzaam donkerder, een geheimzinnige roodbruine sluier kwam als een mist aanzetten en zette het kleine dal in een lieflijke en rustgevende glans. Kivar merkte dat door deze geheimzinnige glans er een soort van kring ontstond, die op een symbolische manier tot stand kwam. Vlak voor hem ontstond of groeide een lichtgevende Zuil, die ook deze roodbruine glans uitstraalde en toen Kivar langzaam om zich heen keek, bleek dat hij terecht was gekomen in een kring met zeven lichtgevende Zuilen, ieder met zijn eigen kleur. Kivar stond precies in het midden, alsof het leek dat niet hijzelf in het centrum was gaan staan, maar dat de Zuilen zelf op een geheimzinnige wijze om hem heen waren gegroepeerd op een voor hem onverklaarbare manier.
Kivar probeerde een patroon te herkennen en liep langzaam op de eerste Zuil voor hem af. Hij probeerde de Zuil aan te raken, maar kwam tot de vreemde conclusie, dat deze Kolom niet uit een voor hem bekend materiaal bestond. Hij kon het zelfs niet beetpakken; zijn handen gingen er dwars doorheen. Toch zag het eruit alsof er iets was. Er slierde kleine kringeltjes roodbruin Licht uit en de Kolom zelf straalde een soort fosforeniserend Licht uit. Kivar besloot om precies in het midden van de Kolom te gaan staan en er kwam een vreemd bruisend gevoel vanuit zijn tenen omhoog; langzaam omhoog kruipend en het gaf hem een rustgevend, maar ook een wijs gevoel. Een gevoel van herkenning of wijsheid kwam in hem op, maar hij kon niet duiden of expliciet zeggen wat het was. Wijsheid stammend uit vroegere tijd of wijsheid die eens aan het einde van de evolutie van Eichilos gevonden zou worden. In ieder geval: een andere Waarheid bestond dus. Met een schrik in zijn hart kwam Kivar tot de gedachte, dat het Boek hiermee opnieuw gevuld moest worden. Zou de oude waarheid niet meer bestaan? Zijn lichaam wilde eigenlijk hard wegvluchten, maar als versteend bleef hij staan nog steeds in het centrum van deze roodbruin lichtgevende Zuil. Oude Waarheden worden omgevormd, getransformeerd in nieuwe, omdat we het verleden weer herbeleven in het heden of liever gezegd: we gaan terug in het verleden, want daar ligt de toekomst. Nee dat kopt niet, dacht Kivar: dat is de oude waarheid. We gaan terug in de toekomst om het verleden te verkennen. De oude waarheden bestonden nog wel, maar nu moeten ze achterstevoren of omgekeerd worden gelezen. "Wat betekent dat nu", dacht Kivar en een vreemde en magische Kracht welde in hem op.

Wat is de waarheid of de bron van ons bestaan, dacht Kivar en een gedachte kwam fluisterend in hem op: De Bron of de Basis van alles ligt in de terugkeer naar de toekomst en om het duidelijker te zeggen: "Het Verleden in de Toekomst". Nou dacht Kivar, met alle zogenaamde wijsheid van de Oude Waarheid in mij, wordt mij dit nu toch wel duidelijker. Deze woorden zijn duidelijk en toegesproken in de Taal der Kennis van de Nieuwe Wereld en zo krijgen ze ook meer vaste Vorm.

Kivar stapte langzaam uit de roodbruine Kolom en ging als vanzelfsprekend in het midden van de Zeven Zuilen zitten en overdacht de woorden, die tot hem waren gekomen. Ook onze wetten van de Oude Wereld bestonden uit zeven paragrafen, maar alle teksten kwamen overeen met strofen en parabelen met uitleg; geen conclusies of antwoorden waren te vinden in de Oude teksten. Het gewone volk las of bestudeerde Het Boek, dat nu geen letters meer bevatte, al lang niet meer. Zij beoefenden alleen nog de rituelen, beschreven in de langgerekte zinsneden van Het Boek en opgetekend in kasten vol andere boeken, maar nu van geen waarde meer. Want Het Oude Boek is nu leeg. Alleen de Lijn van Tovenaars, waar Kivar nu de laatste van was, bestudeerde de Oude Teksten en er waren nachtenlange discussies en uitwijdingen over de symbolieke handelingen, waarvan er niet een is opgeschreven. Dit was een van de vele Heilige Geboden uit Het Oude Boek.

Nu waren alle teksten weg en hoewel Kivar ze alle uit het hoofd kende, moest hij ze nu gaan herschrijven in de Nieuwe Taal. Uit welke Naam of Macht dan? In zijn gepieker sliep Kivar langzaam in en sliep een vaste slaap, waarin de dromen bleven waar ze waren en de geest niet meer verontrustte.

De volgende morgen vroeg werd Kivar wakker; de drie zonnen van het vreemde eiland stonden al hoog aan de hemel. Voor hem op de grond stond een houten bord met naar honing ruikend bruinrood brood en er naast een drinkkroes. Hij at en dronk er niet echt over verbazend wie dit had neergezet. Na de vreemde gewaarwordingen van de vorige avond, verwachtte hij nog wel meer vreemde en andere goede gebeurtenissen. Er zat geen enkele angst in de lucht om hem heen; alleen de stilte van de Waarheid.
Kivar keek achter zich en zag tot zijn gelukkige verbazing, dat de grote eikenhouten deuren geheel open stonden en hem leken te gebaren de deuropening te passeren. Op eens hoorde hij op de achtergrond het lieflijke ochtendgekwetter van vele vogels en het gefladder en gegons van vele vlinders en andere op mensen gelijkende kleine figuurtjes, die er rond om heen dansten en vlogen. Kivar stond resoluut op, hij pakte zijn plunjezak en liep rechtstreeks naar de deuren en liep door de deuropening naar binnen, waar hij al na enkele meters als in een extase bleef staan, rondkeek en de enorme schoonheid van het geheel voor hem aanschouwde. De Schoonheid van het Tijdloze Bestaan....

Orfilan