| 9. De spelonk
In een donkere spelonk achter zwaar overhangend
gebladerte van een reusachtige eikenboom bewoog
iets. Mijn ogen, nog wat verblind door het vroege
ochtendlicht van een snel opgaande zon, tuurde met
een gespannen blik naar iets wat komen moest. Plotseling
zag ik iets roods en geels glinsteren en ineens
besefte ik, dat wie of wat zich daar ook voortbewoog
mij zag en zelf ook afwachtte op een teken misschien
of dit ook de ontmoeting was, die hij zich voorwende,
zo leek dat althans. Nog steeds in het duister onthuld
ging ik toch steeds meer de contouren herkennen
van iets, dat het meest weg had van een kabouter
zoals die door allerhande beschrijvingen uit boeken
en zo in mijn herinneringen waren gegrift. Ik voelde
mij onzeker en blij tegelijkertijd alsof ik, zoals
wel vaker het geval was in mijn leven op een grenslijn
sta van deze en gene wereld. Ik wist ineens, dat
dit een beslissend moment kon zijn om eens deze
stap te zetten en terecht te komen in een wereld
anders dan deze, mooier en gevaarlijker tegelijkertijd.
Ik liep naar de waterkant en bleef daar staan en
keek recht in het gezicht van dit wezen of mens
als je het zo noemen wilt. Twee vriendelijke pretogen
keken mij aan en deden mij wenken of zo voelde dat.
Toch verzette zich iets in mij: een vage angst voor
het onbekende. Toen opeens alsof een lichte bries
mij optilde, stapte ik het water op en bij iedere
stap die ik zette verscheen een waterlelie alsof
deze mijn sporen wilde vastleggen het onbekende
in. Met iedere stap echter werden mijn herinneringen
duidelijker, alsof het onbekende zich ontsloot voor
mij, zoals deze waterlelies zich iedere zomerochtend
opende voor het zonlicht. Ik stapte of zweefde verder
op het wezen af en voelde me ook steeds dichter
bij mijn eigen wezen komen. Verdriet en vreugde
kwamen tezamen en het leek of het samenspel van
deze energieën bezit van mij wilde nemen en
het duizelde in mij. Ik werd eigenlijk geholpen,
want zijn ogen en zijn blik deden me niet van mijn
weg afdwalen en eindelijk bereikte ik de overkant;
zo leek dat want er was geen sprake van een overkant
meer. Angst maakte zich van mij meester, maar twee
handen deden mij terugkomen en ik keek in de stralende
ogen van Julio, die me na een eindeloze reis weer
deden verwelkomen. 'Bestaan jullie dan nog?' en
in een vlaag van emotie en opwinding vroeg ik naar
Gunawan. Julio glimlachte op de zijn zo bekende
manier en ik besefte dat ook zij nooit weggeweest
was en altijd in mijn nabijheid was geweest op moeilijke
momenten.

Je kunt haar nog niet zien, want zoals je eigenlijk
al een tijd weet bij het zogenaamde afscheid in
het bos voor het kampvuur, is Gunawan een deel van
jou geworden of liever gezegd: een deel van jouw
eigen wezen. Gunawan is jouw Lichlichaam en daarmee
jouw intuïtie en creativiteit. Het geeft sturing
aan jouw wezen en kan ook niet zonder jou of andersom.
Jullie hebben als tweelingziel Orfilan en Gunawan
gekozen voor een leven op Aarde; jij in een aards
lichaam en zij als het Lichtlichaam hiervan. Als
jij zonder haar medeweten vertrekt van deze aarde
kan zij niet mee.
Gunawan en jij zijn een en dat zal zich steeds
nadrukkelijker manifesteren in jouw verdere leven.
Julio zweeg en ik wist, dat hij genoeg gezegd had
en zijn woorden maakte mij gelukkig en een gevoel
van eenheid en volheid deden mij weer langzaam terugbrengen.
Ik ontwaakte aan de overkant, aan deze zijde dan
en vogelzang begroette mij en ik voelde mij gelukkig.
|