|
3. Eril, de Steentrol
Ergens iets ten noorden van Midden-Noorwegen ligt
het Skoggenwoud. Niemand weet eigenlijk precies
waar, want er is nooit iemand uit teruggekeerd die
zei het SkoggenWoud te hebben gezocht en gevonden.
Ergens heel vroeger op een dag ging het gerucht
in een van de laatste dorpjes aan de rand van dit
magische bos, dat Eril het bos in zou trekken. Wie
Eril was? Nou niemand weet het eigenlijk precies.
Ooit nu al weer jaren geleden werd Eril als vondeling
aan de rand van het bos aangetroffen en na wijs
beraad liefdevol opgenomen door een kinderloos stel.
Aan Eril was in het begin niets bijzonders op te
merken al zou je zeggen, dat hij een nogal plompe
neus had, die voortdurend druppelde en verder had
hij ietwat puntige ogen. Verder leek hij in alles
op een gewoon mensenkind en zo werd hij ook jarenlang
beschouwd en behandeld.
Tot op een dag vlak voor Midzomer, hij was toen
ongeveer 10 jaar oud, Eril vreemde trekjes begon
te krijgen. In het begin was er niemand, die er
aandacht aan schonk tot op een dag de jaarlijkse
marskramer in hert dorp verscheen. Dat was al weer
jaren later: Het was einde herfst en Eril zal ongeveer
13 jaar oud zijn geweest. Zijn moeder riep Eril
bij zich en vroeg hem een trui te passen. De marskramer,
een ietwat excentrieke maar zeer belezen man (hij
wist o.a. alles af van de Noorse folklore), schrok
zich een hoedje toen hij zag dat Eril's armen zeker
10 cm langer waren dan de aangemeten trui. Zijn
ietwat zonderlinge uiterlijk meegerekend, baarde
de marskramer zorgen, maar hij zei niets tegen de
moeder want eerst wilde hij zekerheid en dat vergde
zeker jaren onderzoek en observatie. Zeker tot Eril
eerst 20 jaren oud zou zijn. Maar ieder jaar bij
zijn komst in het dorpje hield hij Eril nauwlettend
in de gaten.
Nu moet je weten dat de ouders van Eril ook ongerust
werden naarmate hij ouder werd. Afgezien dat zijn
armen steeds langer werden en zijn lichaam behaarder,
dachten zijn ouders nog aan een lichamelijke afwijking.
Maar Eril's gedrag werd ook steeds vreemder. Zijn
spraak en woordengebruik was al nooit bijzonder
duidelijk, maar hij begon tegen zijn twintigste
steeds meer rare keelgeluiden te maken en gebuikte
ook steeds meer onduidelijke en vreemde woorden.
Zijn lopen werd ook steeds sloffender tot op een
dag hij ook geen schoenen meer wilde dragen en het
heerlijk vond door zand en steen te lopen en onderwijl
dierlijke geluiden produceerde. Ook glipte hij steeds
vaker s'nachts het raam uit en sprong van rots naar
rots en besnuffelde alle hoekjes en gaatjes die
er te vinden waren. Maar nooit vond hij wat hij
zocht. Hij wist het eigenlijk zelf niet eens wat
hij zocht. Wel voelde hij zich anders dan de anderen
en hij voelde ook steeds meer dat andere mensen
hem steeds vreemder gingen aankijken, alsof hij
anders was en vreemd. Hij zag dat zijn moeder bezorgd
was, maar nooit durfde ze er o[openlijk over te
praten; bang dat de vreemde voorgevoelens werkelijkheid
werden en hij bleef almaar proberen zich als mens
te gedragen.
Maar s'nachts werd hij anders en voelde zich onrustig
worden en in het maanlicht betastte hij de stenen
rotsen en liet de aarde door zijn vingers stromen
en wist dat hij een ander wezen was, maar wat was
hem helemaal nog niet duidelijk. Hij had ook nog
nooit over andere dingen gehoord. Alle sprookjes
en vreemde verhalen over het magische Skoggenwoud
werden voor hem angstvallig verzwegen, bang om te
worden verteld en bang dat ze bewaarheid zouden
worden.
Toen op een dag voor Midzomernacht, 7 dagen voor
zijn 20e verjaardag Eril somber buiten het dorp
zat temidden van reusachtige rotsblokken aan de
ingang van het SkoggenWoud, hij de bekende marskramer
aan zag komen. De marskramer zag Eril zitten en
maakte zich bezorgd om hem. "Hoe is het?",
vroeg hij tussen zijn lippen en pijp door, maar
het antwoord wist hij allang en ging naast Eril
zitten. "Weet je Eril, als je volgende week
20 jaar wordt en je ouders het goed vinden gaan
we een reis maken". Eril keek hem vragend aan.
"Een reis naar het SkoggenWoud. Heb je wel
eens gehoord van steentrollen"? De marskramer
pakte een steen en gooide deze voor Eril neer. Eril
zag plots zijn armen uitgerekt worden tot zeker
2 meter. Eril verpulverde de steen en een glinstering
doorstraalde zijn hand. Meteen daarna waren zijn
armen weer van een normale lengte (maar nu wel iets
langer als voorheen) en de marskramer overhandigde
hem het glinsterende steentje aan Eril en zei hem
deze goed te bewaren. In een oogwenk was de marskramer
verdwenen en na Eril's thuiskomst leek alles bij
het oude te zijn, maar Eril wist nu voor het eerst
wel beter. Op de avond voor Eril's 20e verjaardag
vroeg hij toestemming om op reis te gaan en zijn
ouders al eerder op de hoogte gesteld door de marskramer,
stemden toe en er werd verder niet meer over gepraat.
s'Avonds kwam Eril's moeder nog éénmaal
aan zijn bed en huilde een traan van verdriet, maar
ook van vreugde en een geruststelling en hierna
gaf zij Eril nog één maal een nachtzoen.
De volgende dag was er een groot en stil gerucht
in het dorp en er werd verder niet openlijk over
gepraat over Eril's verdwijning; zo bang als ze
waren voor het SkoggenWoud.
|